PlanMER Windenergie

Vereniging voor Natuur- en landschapsbescherming

Goeree Overflakkee

 

 

aan:    de Gemeenteraad van de
Gemeente Goeree Overflakkee

                                                           Postbus 1

                                                           3240 AA Middelharnis

                                              

 

                                                                      

                                                                       Middelharnis,     17 februari 2014

 

 

Onderwerp:  PlanMER Windenergie Goeree-Overflakkee

 

Geacht Gemeenteraad,

 

De Vereniging voor Natuur- en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee (NLGO)  heeft als missie het streven om een actieve vereniging te zijn, die alle vormen van natuur- en landschapsontwikkeling, natuur- en landschapsbescherming en natuur- en landschapsbeleving in zich verenigt en de uitoefening / ontwikkeling  ervan stimuleert. Hierin komt het woord energie, als zodanig, niet voor. Dat geeft aan dat NLGO de nadruk legt op de ontwikkeling van de natuur en het landschap op Goeree Overflakkee. Dat neemt niet weg dat NLGO zich , als natuurorganisatie, betrokken voelt bij de ontwikkeling en het gebruik van herbruikbare energiedragers. Wind is hiervan een, zeker op Goeree Overflakkee, bijna tastbaar voorbeeld van.  Met onze missie in het achterhoofd heeft NLGO het PlanMER Windenergie Goeree-Overflakkee gelezen en hiernavolgend van commentaar voorzien.

 

Hoewel NLGO het belang van de alternatieve energieopwekking door wind onderkent, is het van groot belang dat de plaatsing van windmolens geen onomkeerbare schadelijke gevolgen heeft voor de natuur, het landschap en de leefbaarheid op het eiland.

Goeree Overflakkee is omringd door natuurgebieden, van hoge kwaliteit. Daarnaast staat Goeree Overflakkee bekend om z’n ruimtelijke (lees: wijde blik/relatief lage horizont) kwaliteit.

Het plaatsen van windmolens levert effecten op voor de natuur, zo blijkt uit de Plan MER. Bovendien leveren 60-80 molens een enorme horizonverstoring en tevens kans op ongewenste geluiden.
Meer specifiek heeft NLGO de volgende op- en aanmerkingen en bedenkingen.

  • Bureau Waardenburg heeft begin 2013 een verkennende studie uitgevoerd naar de mogelijke effecten van windenergie aan de randen van Goeree-Overflakkee op de aanwezige ecologische waarden1. Conclusie uit de verkenning is dat bij het merendeel van de zoeklocaties negatieve effecten van windturbines te verwachten zijn op diverse soorten broedvogels en/of niet-broedvogels van de soortgroepen eenden, ganzen, zwanen, steltlopers. Voor vleermuizen worden vooral voor de halfopen locaties en de projecten langs de buitendijken middelmatig tot veel slachtoffers verwacht, die mogelijk een knelpunt vormen. Het werkelijke aantal vogel- en/of vleermuisslachtoffers is o.a. afhankelijk van het aantal turbines op een specifieke locatie en de afstand tot kwetsbare natuurwaarden. Er is een eerste kwalitatieve inschatting gemaakt van de kans op knelpunten op specifieke locaties in de randzone. Op diverse locaties is nader

    onderzoek nodig om vast te stellen of er daadwerkelijk knelpunten optreden en of deze mitigeerbaar zijn.
    In de Passende Beoordeling op hoofdlijnen, van Pondera, wordt aangegeven dat het risico op verstoring van watervogels als groot (--) is beoordeeld, wat betekent dat significante effecten, met name in G1 Stellendam,  niet op voorhand zijn uit te sluiten. Bij de overige gebieden sluit men die op voorhand wel uit.

    Uit het ecologisch onderzoek van Bureau Waardenburg komt naar voren dat er voor zes zoeklocaties onvoldoende gegevens beschikbaar  zijn om effecten te kunnen bepalen.

     

    NLGO ervaart een discrepantie tussen de stelligheid van Pondera in de Plan MER en Ecologische verkenning Windplan Goeree-Overflakkee, Mogelijke effecten en kennisleemtes ten aanzien van vogels en vleermuizen het ecologisch onderzoek van Bureau Waardenburg (in het vervolg Rapport Bureau Waardenburg genoemd). Dit laatste rapport, waarop de PlanMER is gestoeld geeft ons aan dat er eerst nog verder onderzoek moet worden gedaan alvorens te kunnen komen tot de uiteindelijke zoekgebieden. Nu lijkt het er op alsof men dit nader onderzoek wil doen binnen de nu aangewezen zoekgebieden. Dat gaat ons een stap te ver.

  • Opvallend in het rapport Passende Beoordeling op hoofdlijnen, van Pondera, wordt bij gebied G6, Anna Wilhelminapolder, gesteld dat het te verwachten is dat de hoge bomenrij op de buitendijk een deel van de verstoringseffecten teniet zal doen, zeker voor vogels die aan de waterrand van de Krammerse Slikken verblijven, zoals overtijende steltlopers.

Omgekeerd staat er in het rapport van Bureau Waardenburg dat indien er bij realisatie van de windparken bomen worden gekapt er een risico aanwezig is dat in gebruik zijnde nesten van vogels worden aangetast of vernietigd.

Een en ander geeft NLGO de mening dat dit zou pleiten voor het behoud van, dan wel het nieuw aanplanten, van bomen, tussen de windmolens. Dit zal ook een positief effect hebben op vleermuizen en het totale landschappelijke aanzien.

In het Rapport Passende Beoordeling op hoofdlijnen wordt gesproken over het nemen van maatregelen die een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing borgen. Helaas heeft NLGO niet kunnen vinden waaruit die maatregelen zouden kunnen bestaan.

 

  • Vogels
    Bij de beoordeling van de effecten van de potentiele windmolenclusters op de vogels zijn veel leemtes in kennis gevonden. Belangrijker hier is echter dat er verschillende aspecten van de ecologie van vogels buiten beschouwing zijn gebleven. We zullen hieronder enkele bespreken. Opvallend is dat veel van onze bedenkingen en opmerkingen n.a.v. het Startdocument planMER Windenergie Goeree-Overflakkee niet zijn meegenomen. 
    O.a.  mist NLGO, in de ecologische verkenning, de gevolgen voor de weidevogels.
    Bij locatie 10b, 16, 17, 18 en 20 meldt het rapport dat er
    vanuit de Provincie geen ‘belangrijke weidevogelgebieden’ op Goeree-Overflakkee zijn aangewezen.
    NLGO wil er hier op wijzen, dat de Oude Oostdijk een weidevogelgebied is en dat er zowel buitendijks en als binnendijks r ook weidevogelgebieden zijn, al dan niet met een beschermde status.

In het rapport wordt gesteld dat er geen enkele zoeklocatie een negatief effect zal hebben op het functioneren van Provinciale weidevogel- en ganzenfoerageergebieden.
Het zal duidelijk zijn, dat NLGO dit sterk in twijfel trekt.

  • Vogeltrek
    In de plan MER en in het rapport van Bureau Waardenburg is de voor- en najaar trek van vogels niet (goed) onderzocht of meegenomen. In tabel 4.5  Bepaling ecologische score (blz. 52)  van de plan MER vinden we dit aspect met mogelijk grote gevolgen (risico) op de avifauna niet terug. Hierover is een kennisleemte en uitsluiting in de beoordeling. Dit aspect vinden we in het hele rapport derhalve niet terug.
    Zelfs in het rapport van Bureau Waardenburg wordt dit helaas ook niet onderzocht (op basis van de risicokaart) en is het mogelijk om een kaart zoals in bijlage 6 te maken met als consequentie dat dit niet als kennisleemte onderkent en daardoor buiten de ecologische beoordeling is gebleven. 
    In feite wordt waarschijnlijk uitgegaan van het mogelijk mitigeren van de nadelige gevolgen van de windmolens op seizoentrek. NLGO betwijfelt of de nachtelijke trek in voor - en najaar rendabel kan worden gemitigeerd.  Het is beter om dit te voorkomen en op een aantal uiterst kwetsbare plekken geen windmolens te plaatsen. Ook de opstelling is van belang, maar voor twee locaties zal dit weinig uitmaken. Zij worden straks  nader besproken. Uiteraard zal voor de Project-MER nader onderzoek naar de vogels worden gedaan, maar dan kan geen rekening meer genomen worden met de voor – en najaar trekroutes voor het wijzigen van de cluster locaties.
    Nader onderzoek dat de individuele clusters overstijgen is het effect van de grotere molens op de trek. Een molen als de "Ambtenaar” bij Medenblik  met 7,5 Megawatt is vooral een groot gevaar voor de nachtelijk trekkende vogels, die veelal op een hoogte van honderd tot honderdvijftig meter vliegen (b.v. tabel 2.12 p.28 in
    de LWVT/SOVON 2002, Vogeltrek over Nederland 1976-1993, Schuyt &co, Haarlem). Deze worden niet waargenomen door de vogeltellers, maar er zijn talloze radaronderzoeken en de uitkomsten hiervan zal ook moeten worden meegenomen.
    Er zijn wel degelijk gegevens over de vogeltrek die hadden kunnen worden gebruikt, zoals in bovengenoemde publicatie.
    Bij het raadplegen van trektelgegevens is een duidelijke trek over het Hollandse diep richting de delta te zien. Helaas zijn er geen trektelpunten op het eiland zelf, waardoor dit niet in beeld komt. http://www.trektellen.nl/doortrekpatroon.asp?soort=9999&au=u&huidigjaar=2014&mLand=1&typetellingen=0&bd=9&bm=2&bj=2013&ed=9&em=2&ej=2014&schaal=7

     

    Vogelbescherming heeft, in verband met de komende windmolenopgave, risicopunten in kaart gebracht. Ook daar blijkt de leemte van de trekvogels. Wanneer men naar de patronen kijkt,  waar de kust en de rivieren als het ware de snelwegen vormen, moet een aanzienlijke trek langs

    het Krammer-Volkerak, de Grevelingen en de Hellegatsdam plaats vinden. Sterker nog er vindt hier waarschijnlijk stuwing plaats! 
    Uit eigen NLGO-waarnemingen is bekend dat verschillende soorten via de strekdam a) langs de noordrand (zuidelijke Haringvliet) zich voegen bij de kust trek en dat b) een deel over Flakkee naar de Brouwersdam vliegen.  Helaas zijn deze gegevens niet verwerkt in de risicokaarten. Bovendien zijn de nachtdoortrekkende vogels, die vooral gevoelig zijn voor de hele grote molens, slecht bekend.
    De vogels vliegen op verschillende hoogten. De effecten van de nieuwe molens moeten hierop worden getoetst. De vraag is of alle aspecten van de vogeltrek rond Goeree-Overflakkee goed in beeld zijn. Vooral wat betreft de nachtelijke (hoge) trek is nog veel
    onbekend c.q. te onderzoeken.
    In de rapporten wordt hierover alleen het volgende vermeld:
    "Smient en wilde eend zijn soorten met in het winterhalfjaar mogelijk regelmatig vliegbewegingen door het windpark. Indien in het open water van het Krammer-Volkerak een rij windturbines parallel aan de dijk wordt ontwikkeld, kan dit resulteren in aanvaringsslachtoffers onder kuifeend en tafeleend. Dit zijn twee soorten die veel tussen gebieden in het Krammer-Volkerak uitwisselen, vliegend over het water, en dit vooral ’s nachts doen.
    Aanvaringsslachtoffers zijn waarschijnlijk, maar de relatief beperkte aantallen zullen niet leiden tot significant negatieve effecten. Het risico op effecten is daarom als gemiddeld (-) beoordeeld.”
    Als bron hiervoor worden diverse radaronderzoeken naar nachtelijke vliegbewegingen van watervogels op Goeree-Overflakkee, uitgevoerd door Bureau Waardenburg, opgevoerd. NLGO heeft de indruk dat hier vrij gemakkelijk over de mogelijke effecten van nachtelijke
     vliegbewegingen  wordt heen gestapt.
    Van belang, bij onderzoek naar vogeltrek, is dat dit over meerdere jaren gebeurt. Vogeltrek is namelijk sterk afhankelijk van het weer en dan vooral van de wind. Bij meewind vliegen de vogels veel hoger dan bij tegenwind. Geen jaar is daarom vergelijkbaar, maar na meerjarig meten ontstaat wel een beter beeld. Het stilzetten van de molens bij sterke vogeltrek vind NLGO geen goed idee. Beter is het om een goede locatie uit te kiezen waar geen substantiële vogeltrek plaats vindt.
    NLGO adviseert om op deze locaties eerst meerjarig onderzoek te doen.

  • Arenden en andere grote zeldzame roofvogels.
    Bij de gebruikte systematiek wordt uitgegaan van het beoordelen op basis van aantallen vogel slachtoffers. Hierbij zijn alle vogels gelijk. Dit is niet het geval. De roofvogels en andere bedreigde soorten vallen onder een strenger regime.
    Vooral de, veelal laatste jaren, bekend zijnde bezoeken/verblijven van de Visarend en de Zeearend doet vermoeden dat deze soorten hier gaan broeden. Eén slachtoffer van een dergelijk formaat is niet te vergelijken met een slachtoffer als een gans op jaarbasis! Kortom de potentiele aanwezigheid van de arenden rondom de Hellegatsplaten en de Ventjagerplaten vraagt extra terughoudendheid met plaatsing van windmolens in deze omgeving.

  • Plaatsing in het water en de effecten van slagschaduw op het broedsucces.
    Uit de risicokaart en het Rapport van Bureau Waardenburg blijken de grote risico’s voor watervogels op en om het eiland. Dit moet tot de conclusie leiden dat de optie voor het plaatsen op het water (Krammer/Volkerak en Haringvliet) bij voorbaat moet zijn uitgesloten.
    Buiten het onderzoeksrapport en daarna ook in de PlanMER is het schadelijke effect van de slagschaduw op het broedsucces van vogels onderzocht. Dit zal zeker effect (kunnen) hebben op de noordrand en vooral de Ventjagerplaten. Dit effect moet wel worden beoordeeld, maar wordt nergens besproken laat staan dat het is meegenomen in de bepalingscore ecologie.

  • Mitigatie
    In de PlanMER wordt gesproken over ‘aanvaringsslachtoffers’ met de molens.
    Locaties met een middelmatig aantal slachtoffers: in de orde van 2 – 10 slachtoffers per turbine per jaar. Bij een gemiddelde van 5 slachtoffers én mitigatie met 80% effectiviteit kan waarschijnlijk gesproken worden van incidentele slachtoffers. Er zijn effecten, mogelijk ook een knelpunt. Nader onderzoek is nodig om noodzaak en vormgeving van mitigerende maatregelen vast te stellen.
    Locaties met een hoog aantal slachtoffers: in de orde van meer dan 10 slachtoffers per turbine per jaar. Ook met effectieve mitigatie leidend tot een afname van 80% van het aantal slachtoffers, kan niet worden uitgesloten dat sprake is van voorzienbare sterfte van meer dan een incidenteel aantal slachtoffers. Er zijn effecten, waarschijnlijk ook een knelpunt. Nader onderzoek is nodig om noodzaak en vormgeving van mitigerende maatregelen vast te stellen

Ook zijn er kennisleemtes aanwezig (wordt in de PlanMER erkent) over de noodzaak en mogelijkheden om door mitigatie het aantal vleermuisslachtoffers terug te brengen.
Toch spreekt het PlanMER over de haalbaarheid van 80% effectiviteit in verlaging van het aantal slachtoffers.
Het is NLGO onduidelijk hoe deze schatting tot stand is gekomen, te meer daar in het geheel niet wordt aangegeven op welke wijze mitigatie zou kunnen worden uitgevoerd.

Voor verschillende locaties zijn geen mitigerende maatregelen te bedenken. Hierdoor vallen twee locaties op, met extra risico. Bommel-zuid (grote cluster 21; windpark N59 en 22 windpark SBB) en Battenoord-zuid/oost (Suyderlandt 7a en 7b; uitbreiding Suyderlandt ). Beide clusters blijven grotendeels gehandhaafd (behalve de windmolens rond de N59 en het Grote Gat).

 

  • Bommel-zuid/oost
    In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat terecht een aantal voorstellen voor plaatsing in de buurt van deze locatie zijn afgevallen. Daarbij ligt de locatie dichtbij de bebouwing van Den Bommel en ligt deze tussen allerlei N2000- en EHSgebieden. Het lijkt NLGO onmogelijk hier de gedachte aantallen molens en vermogens te kunnen plaatsen. NLGO vreest dat bij het plaatsen van deze aantallen en typen molens de ecologische effecten in het geding gaan komen.

    We merken ten eerste op dat de op grond van de bekende gegevens in het Rapport van Bureau Waardenburg de locaties 21 en 22 bij bijna alle knelpunten een slechte score hebben. Uitzonderingen zijn zeer dubieus zoals de seizoenstrek (zie kaart seizoenstrek in bijlage 6).

  • Battenoord-zuid/oost
    De locaties
    Suyderlandt 7a en 7b; uitbreiding Suyderlandt  zijn, volgens NLGO, absoluut ongeschikt voor plaatsing van windmolens. Het gebied, ten zuiden van
     grenzend aan deze locaties, heeft een zeer hoge dichtheid aan ‘slaap- en vluchtvogels’, waardoor enkele malen per dag grote vogelverplaatsingen optreden.

  • Lichthinder
    NLGO heeft geconstateerd dat er over lichthinder, door verplichte waarschuwingslichten bovenop de mast (boven een bepaalde windmolenhoogte) of aan de tips van de wieken, in de Plan MER niet wordt gesproken.  Uit de PlanMER wordt niet duidelijk of hier onderzoek naar is gedaan.

De nachtelijke hemel boven Goeree Overflakkee is de donkerste van Zuid Holland en dit donkere karakter wil NLGO graag behouden.

 



Conclusie

Al met al concludeert NLGO dat er, op dit moment, onvoldoende gegevens zijn om de zoekgebieden definitief aan te wijzen. NLGO vindt het dan ook niet verantwoord om nu over te gaan tot het opstellen van ProjectMER’s.
De vrees bestaat dat grootschalige windenergie een enorme impact zal hebben op het leefmilieu, de leefbaarheid, belevingswaarde van een gebied.
Los van onze eerste conclusie willen wij nog de volgende aanbeveling doen.
NLGO wil er op wijzen, dat
Windmolens na max. 20 jaar worden afgeschreven. In onze beleving zouden er dan voldoende alternatieven moeten zijn, anders dan de inzet van windmolens, om vervanging overbodig te maken. Bovendien is het daarnaast gerechtvaardigd om na de gebiedsbelasting (op Goeree Overflakkee) van ± 20 jaar deze last aan een ander gebied over te dragen. Dit principe (geen recht van voortzetting van de windmolen-bestemming, na het economische einde hiervan) zou in een bestemmingsplan (of convenant met de energiemaatschappijen en grondeigenaren) moeten worden vastgelegd.

 

Hoogachtend, namens het bestuur,

 

 

 

 

H. Baas                                                                      D. Visser,

voorzitter                                                                   secretaris